Er werd mij gevraagd om een stuk op te nemen rond het werk van Jaap Oudes. De illustraties zijn achterwege gehouden.
Jaap Oudes als vakman
Vakmanschap is niet het eerste waaraan je denkt als je een werk van Jaap ziet. Het eerste wat opvalt is de voorstelling. Die is meestal druk en vertelt een verhaal. Maar welk? Wie zijn al die figuren? Waar zijn ze mee bezig? En in welke omgeving speelt het gebeuren zich af? Die vragen dringen zich zozeer op dat je er in eerste instantie niet bij stil staat hoe het werk gemaakt is. Op zichzelf is dat niet zo bijzonder. Iedereen kijkt eerst naar het ‘plaatje’, zelfs bij een abstract werk. Ook in de studie kunstgeschiedenis wordt er meer aandacht besteed aan de iconologie –de betekenis van de voorstelling – dan aan de morfologie – de vormgeving met materialen en technieken. Echter je afvragen welke de keuzes de kunstenaar gemaakt heeft op dit vlak, het je verdiepen in het werkproces en het analyseren hoe de beeldaspecten licht , kleur, ruimtesuggestie en compositie gebruikt zijn, kan een verassende toegang tot het werk opleveren.
Onder kunstenaars gaan de gesprekken meestal wel over het ‘vak’. Veel vaker over het ‘hoe’ dan over het ‘wat’. Jaap en ik vormden daar geen uitzondering op. Bovendien hebben wij op onze tochtjes een aantal keren samen buiten getekend. Als vanzelf komen dan verschillen in aanpak ter sprake.
Het materiaal dat Jaap gebruikte voor zijn tekeningen springt direct in het oog omdat het bijzonder is. Zoveel kunstenaars zijn er niet die met kleurpotlood op papier werken. Toen ik Jaap eind jaren 70 leerde kennen had hij in die techniek een grote hoogte bereikt.
Hij is niet gelijk met kleurpotlood begonnen. Allereerst werd hij door vader Dirk gestimuleerd om heel veel naar de natuur te tekenen en daarbij op zoek te gaan naar het ‘karakteristieke’ om dat met nadruk weer te geven. Eindeloos oefenen om de gewenste vorm zo in de vingers te krijgen dat die schijnbaar moeiteloos op papier komt. Ik heb gezien hoe hij op een wandeling een varkentje in een halve minuut met enkele lijnen en een paar arceringen trefzeker neerzette.
Dat tekenen gebeurde eerst met een zacht potlood. Later tekende hij zijn reisschetsen gewoon met balpen op het goedkoopste blok papier. Wegens de kwaliteit van die schetsen probeerde ik hem te bewegen op goed papier te tekenen. Dat vond hij niet nodig, ze waren immers alleen voor hemzelf bedoeld als geheugensteuntje.
Die honderden, mogelijk meer dan duizend schetsen vormden de basis voor zijn uitgewerkte voorstellingen. Eerst maakte hij die met grafietpotlood, daarna vrijwel alleen met kleurpotlood.
De vroege zwart/witserie van grote en kleine tekeningen, uitgewerkt met veel licht en donkernuances, vormen een eerste hoogtepunt in zijn oeuvre .
Tegelijkertijd begon hij ook met kleur te werken. Naar voorbeeld van Dirk gebruikte hij pastel, olieverf en aquarel. Daar zijn een paar prachtige werken uit voortgekomen, maar toen hij rond 1954 ontdekte dat je met kleurpotlood ook grote tekeningen kon maken was dat voor hem het materiaal waarmee hij zich het beste kon uiten. De werken gemaakt in de andere materialen verhuisden naar zolder. Hijzelf vond ze minder interessant en het heeft een tijd geduurd voordat hij ze mij liet zien. Werken met olieverf beviel hem niet. Hij vond het te veel gedoe. Het maakte vlekken en aan kwasten schoonmaken had hij een hekel, zo vertelde hij mij.
Elk materiaal heeft echter zijn beperkingen. In tegenstelling tot olieverf heb je met kleurpotlood, net als bij pastel, weinig mogelijkheden om te mengen. Dat probleem moet je oplossen. Om te beginnen moet je heel veel verschillende kleuren bij de hand hebben.
Jaap had inderdaad meer dan honderd kleurpotloden waaruit hij kon kiezen. Maar hoeveel verschillende nuances hij ook had, als kunstenaar wilde hij toch zijn eigen kleuren maken.
Een lichte kleur stevig aanbrengen over een donkere levert een nieuwe kleur op. Maar de mogelijkheden om te mengen worden veel groter als je streepjes van verschillende kleuren dicht naast elkaar zet. De kleuren vloeien op een afstandje gezien enigszins in elkaar over tot een nieuwe kleur. Dat je met kleurpotlood een streepjestechniek gebruikt ligt dus voor de hand. Maar Jaap’s keuze voor de streepjestechniek is zeker ook beïnvloed door het werk van vader Dirk en natuurlijk door de werkwijze van Van Gogh.
Jaap’s manier van arceren is nooit gemakzuchtig. Hij zet zijn streepjes neer in verschillende richtingen zodat ook een groot vlak als een lucht niet saai wordt. En hij vervalt niet in een automatische handbeweging van linksonder naar rechtsboven. Hij arceert ook met de vorm mee om bijvoorbeeld een figuur ronder te laten lijken. Verder speelt de ondergrond een belangrijke rol.
In het begin tekende Jaap op Ingres papier. Dat is een papiersoort waarin een geribbeld raster is geperst, wat enigszins het effect van handgeschept papier heeft. Het is in verschillende kleuren verkrijgbaar. Jaap had een voorkeur voor de lichtgrijze tint. Die tint werkt mee om de tekening tot een geheel te maken omdat die gedeeltelijk zichtbaar blijft. Die grijze tint werkt bijvoorbeeld heel goed bij zijn voorstellingen van Marken in de winter. Later ging hij over op wit tekenpapier of het gladdere ivoorkarton. Dit geeft fellere kleuren en was dus heel geschikt voor de Spaanse voorstellingen.
Hij schetste zijn voorstellingen met kleurpotlood in losse contouren op het papier. Hij gebruikte daar graag een warme roodbruine kleur voor. Daarna vulde hij partijen in en liet zo de tekening langzaam vol groeien. Hij werkte aan meerder tekeningen tegelijk. “Heerlijk Jan”, zei hij eens tegen mij,”vanmorgen zat ik nog in Vlaanderen en vanmiddag vier ik feest in Spanje!”
Wanneer je een vroege tekening vergelijkt met een late dan zie dat er een ontwikkeling heeft plaats gevonden in zijn techniek. Van een vrij eenvoudig kleurgebruik naar een groot scala van tinten en van een beheerste arcering naar een wilder handschrift.
De compositie ontstond intuïtief. Hij had daar een natuurlijk gevoel voor. Het beeld in zijn hoofd zette hij zonder aarzelen op papier. Meestal kwam dat goed op het vlak te staan. In zijn beste werk brengt hij de ordening aan met zijn kleuren.
Over kleuren kon Jaap lyrisch worden. Ik herinner mij dat we tegen de avond een wandeling maakten over de ‘Molenkaai’ in Oudorp. Eerst wees Jaap mij op de molens -waarin hij boerinnetjes zag met kapjes op – en zei: “Kijk eens hoe mooi die gebrande omber afsteekt tegen dat mosgroen.” En even later: ”Hou jij ook zo van de combinatie van olijfgroen en rode oker?” Wijzend op het landschap in het late avondlicht, zei hij: ”Kijk toch hoe mooi dat groene weiland verblauwt in de verte.” Ik vroeg hem of hij zich niet stoorde aan de flats van Alkmaar die aan de horizon te zien waren. “Welnee joh, dat is toch net een sprookjeskasteel!”
Dit typeert Jaap’s omgang met de werkelijkheid. Hij was een goed waarnemer, maar de prozaïsche werkelijkheid werd door zijn speelse geest in zijn hoofd onmiddellijk omgezet in een fantasievol universum. Hij hield heel veel van het IJsselmeer. Als hij over het water uitkeek dan hij zag een grote vissenkom voor zich, waaruit de vissers van de plaatsen eromheen hun visjes ophaalden. Daarom is in bijna al zijn werken ergens wel een doorkijkje naar het water te zien. Dat geeft de ruimte in zijn werk een extra dimensie. De figuren in de verte zijn soms wel soms niet kleiner dan die op de voorgrond. De onderlinge verhoudingen worden meer bepaald door het belang van de figuren voor de voorstelling dan door perspectivisch juiste verhoudingen. Jaap maakte handig gebruik van lichte en donkere kleuren om zijn figuren en gebouwen ruimtelijk te maken. Het reeds genoemde met de vorm mee arceren doet dat ook.
Lichtval en schaduwwerking paste hij niet realistisch toe. Het licht valt op het ene object van opzij, op het andere van voren. Soms is er ergens een slagschaduw op de grond, maar op een andere plaats weer niet. Kortom, hij gebruikte lichtval naar het hem uitkwam.
Ter illustratie van zijn werkwijze wil ik één van zijn eerste kleurpotloodtekeningen nader beschouwen.
Deze kleurpotloodtekening is gemaakt op het grijze Ingrespapier, het formaat is 50 bij 65 centimeter. Rechts onder gesigneerd met J. Oudes 1954. Op de achterzijde staat de tekst: Kerk te Midden Beemster 14 Januari 1954, daaronder een monogram JO.
Deze kerk werd door Jaap voor de gelegenheid opgesierd met blauwe vazen uit de woonkamer van de familie Oudes en een voorstelling van een koe boven de ingang, omdat het een boerenkerkje betreft. De doorkijkjes naast de kerk laten links een weiland en rechts een weiland en een korenveld zien; aan de horizon afgesloten door een vage blauwe strook
Dit geheel vormt het decor voor een sjees, getrokken door een wit ponypaardje, waaruit een deftige dame stapt, elegant geholpen door een heer in jacquet, bloem in knoopsgat, en met een glimmende hoge hoed op het hoofd. Maar wel met klompen aan zijn voeten! Zij worden omringd door mannen met hoge hoeden en boerinnetjes in klederdracht Verder zien we een eend verschrikt opvliegen uit de wetering die onder de brug doorstroomt. En in de lucht steken twee bazuinengelen de loftrompet. Kennelijk een bruiloftsstoet.
Deze groep figuren staat, compositorisch gezien wat onhandig in de linker onderhoek. Jaap vangt dat intuïtief goed op door de schuine lijnen van de brug en de drie wolkjes onder de rechter engel. Zo ontstaat een diagonale zichtlijn van linksonder naar rechts boven. Deze diagonaal heeft onbewust een luchtige, vrolijke werking omdat die onze blik omhoog leidt. Deze diagonaal vormt tevens een dynamisch contrast met de iets links van het midden geplaatste verticale as van de kerktoren.
De keuze voor een beperkt aantal kleuren maakt de tekening helder en overzichtelijk. Groen voor het land , blauw voor de lucht. De mengkleur blauwgroen, voor daken en ramen zorgt geraffineerd voor een visuele verbinding tussen aarde en hemel. Jaap koos voor deze combinatie omdat hij dat mooi vond, maar ze past toevallig ook goed bij de functie van de kerk die er immers voor bedoeld is hemel en aarde bij elkaar te brengen. De stenen van de bouwsels zijn okerkleurig, in twee tinten want het licht komt van rechts. Dat zorgt voor warmte tegenover de vele koele kleuren. Het contrast tussen felle en zachte kleuren gebruikt hij om onze aandacht te vestigen op bepaalde elementen in de voorstelling. Het felblauw van de vazen wordt nog overtroffen door het donkere paarsblauw van de sjees en de kleding van de bruidegom. De engelen krijgen een rood-oranje-bruin accent. Zo vormen ze een krachtig contrast met de grijsblauwe lucht.
Maar het meest subtiele kleurgebruik vinden we in de linker onderhoek bij de os en het boerinnetje ernaast..
Kijk eens naar het gele dekkleed, waaronder de ruggengraat van het dier gesuggereerd wordt, de nek met roodbruine streepjes, de grijze, blauwe en groene strepen van de haren die over het voorhoofd vallen. De gevoelige neus, gemaakt met twee soorten rood, oranje, geel en wit. Deze kleuren gebruikt hij ook voor het gestreepte schortje van het boerinnetje . Haar gezicht maakt hij blauwgroen, verlopend naar geelgroen in drie tinten. Met donkerrode lijnen geeft hij wenkbrauwen, neus en mond weer. De neergeslagen ogen met donkerblauw. Ik vind dat meesterlijk. Geen automatismen of vaste formules dus in de toepassing van de kleurcontrasten.
Jaap’s wereldbeschouwing mag dan naïef geweest zijn. De wijze waarop hij zijn wereld op papier wist te verbeelden is dat beslist niet. Artistiek gezien wist hij donders goed waar hij mee bezig was. Met name in zijn kleurgebruik laat hij zijn grote vakmanschap zien.
Jan Nobel, Maart 2009.


















