Reflectie naar aanleiding van tentoonstelling en publicatie n.a.l. van Expo58 over de keuken.
Donker hok
Volgens Claude Levi-Strauss is koken één van de eerste uitingen van
‘sociabiliteit’ of groepsvorming. Alles in de keuken draait immers rond koken en het klaarmaken van eten. Het is de ruimte die vorige eeuw enorm is gewijzigd in vormgeving en status. Heel wat architecten, vormgevers, sociologen, reporters en ergonomen tonen dan ook interesse in het belang van deze ruimte. De keuken worden vandaag graag tentoongesteld, geëtaleerd, terwijl deze aan het begin van de 20ste eeuw werd weggestoken in de daarvoor bestemde donkere benedenverdieping, weg van de vrouw en meester des huizes. Het werd in 1850 omschreven als een plek in het huis waar je beter niet kwam, om ongezonde dampen en geuren te vermijden. Een misvatting die pas in 1873 door Pasteur werd rechtgezet.
De tentoonstelling toont naast ontwerpen en foto’s, reconstructies van diverse soorten keukens doorheen de eeuw. De industrialisering, verstedelijking en het materialisme ligt aan de basis voor de evolutie van de keuken. Te beginnen bij de ‘Leuvense stoof’ van 1900 of het steenkoolfornuis dat volgens sommigen ziekten met zich meebracht, door de ongezonde dampen die vrijkwamen. Echt vreemd weerzien is het niet, want dit type van keuken heb ik al meermaals gezien in volkskunde musea (van Brugge bijvoorbeeld) en ook bij oudere mensen thuis die op het platteland wonen. Ook heel wat oudere cafeetjes in West-Vlaanderen hebben nog een stoof, zoals in in Houthave, waar VTM-reeks van de Kavijaks is opgenomen. De tijd van grootmoeders keuken heeft een grote evolutie doorgemaakt, maar is voor mij althans niet schokkerend. De stoof heeft misschien niet het comfort van het gas- of elektrisch fornuis, maar vormt wel een goede geleider. Dokters en architecten vonden destijds de keuken ongerieflijk en soms zelfs ongezond omdat het altijd werd verwarmd en weinig verlucht. In sommige stadswoningen van 1900 is de dienstlift getuige dat het eten vanuit de keuken naar de bel-etage (verhoogd gelijkvloers) werd gebracht. Tot vandaag zijn de meeste restaurants ook van het principe dat het eten opgediend is, vanuit een keuken die we niet te zien krijgen. Op de Brugse
binnenring zijn er nog veel herenhuizen met dergelijke indeling.
Materialisme en verstedelijking
De toename van huishoudelijke apparaten heeft zeker een invloed op de
evolutie en indeling. In jaren 20 zien we de Tout-en-orde keukenmeubilair die alles wat comfortabeler maakt en ruimte laat voor keukengerief. Het meubilair was uitermate geschikt voor internationale treinen en schepen, die sowieso al over beperkte ruimte beschikken. Ook de vrouwenemancipatie, bouw van naoorlogse burgervilla’s en de ontwikkeling van het gas- en elektriciteitfornuis in jaren ’20 draagt bij dat de keuken een praktische ruimte is voor de vrouw des huizes. Zij staat zelf achter het fornuis, en kan er koken, strijken en (af)wassen. De ruimte verhuisde naar de begane grond en kreeg hierdoor meer daglicht. De keukentafel werd gebruikt voor het bereiden van gerechten of gezellige gesprekken met vriendinnen of voor kinderen te laten huiswerk maken of spelen. In de historische studies haalt men de keuken veelal aan wanneer men de voedingsgewoonten en etenswaren bespreekt, maar zelden over status en functie van de ruimte.
In het decennium dat daarop volgt krijgen de sociale woonsten steeds meer
aandacht naar hygiëne en comfort. De vrouw moest niet langer de meid
spelen, maar kon ook buitenshuis gaan werken, naar een opvoering of feestje.
Het gasfornuis maakte het door haar fijne afstelling mogelijk dat je gerechten
op het fornuis kon laten sudderen, zonder er waakzaam bij te moeten blijven.
De gootsteen werd meestal geplaatst aan het venster, die uitkijkt op de tuin of de koer. Na de eerste wereldoorlog gaan de architecten op zoek naar opties voor kleine woningen, zoals een keuken-badkamer voor de mijnwerkers in Limburg.
Cubex
Eind jaren 20 ontwierp de Belgische architect Louis Herman De Koninck en
enkele collega’s de Cubex-keuken, die tentoongesteld staat in Fondation pour l’Architecture. Een prototype ervan werd tentoongesteld in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel in 1930 op het tweede internationaal congres voor moderne architectuur (CIAM). Het bestaat uit een reeks opstapelbare en naast elkaar geplaatste elementen, kastjes of kubussen. Deze werden opgedeeld in drie nutzones: de werkzone met inklapbare strijkplank of tafel; de opbergzone en reservezone voor materiaal die men minder frequent nodig heeft. Ook zien we, naar analogie met de na-oorlogse Amerikaanse keuken dat het kookfornuis, oven en koelkast een bestemming hebben gekregen.
Op illustraties en foto’s zijn ontwerpen te zien van de Nederlandse architecten Gerrit Rietveld en Piet Zwart, die een soort variant van de Cubex ontwikkelde voor de firma Bruynzeel. Zijn interpretatie is om elke centimeter van de ruimte te benutten, bestaande uit modulaire gestandariseerde bouw-elementen.
Modernistische architecten leggen de nadruk op de hygiënische bereiding van eten en voorzien de huisvrouw van schort, handschoenen, schrob- en
schuurmateriaal. De materialen zijn roestvrij staal, wetenschappelijk gedroogd hout, glad keramiekbetegelde wanden, gekleurd cement, met formica beklede panelen, gelakt of geborsteld metaal, bekledingen in steengoed en nergens zijn er uitsteeksels. De ‘laboratoriumkeuken’ was ontwikkeld uit angst voor verkrotting en tuberculose, en was een kort leven beschoren.
Centrale keuken
In maquettevorm zien we een buitenlands voorbeeld van een keuken
ontworpen door Le Corbusier en Charlotte Perriand in het appartement van de Cité Radieuse in Marseille (1949). De manier om de keuken centraal te plaatsen in het appartement, bleef destijds beperkt tot Le Corbusier, maar werd later door alle architecten overgenomen. De keuken staat voor het eerst midden in het appartement, zonder venster naar buiten. Hierdoor is mogelijk om deel te nemen aan wat er aan tafel gezegd wordt. De oppervlakte bestond uit vierkant van 4,80m. Het is de Amerikaanse uitvinding van de dampkamp dat in appartementen voor gecontroleerde ventilatie zorgt. In de Amerikaanse keuken, waarvan er levensgroot model tentoongesteld staat, is de keuken ook een deel van het geheel.
Naast de open en ruime Amerikaanse keuken zien we ook een enorme koelkast en later in 1970 de vaatwasmachine. Meestal was de wasplaats verwerkt in de keuken. Technologie en tijdbesparing waren de sleutelwoorden achter de Amerikaanse keukenarchitectuur. Pas na 1950 heeft innovaties van de Amerikaanse keuken invloed op de Europese. Er werden ook steeds meer felle kleuren gebruikt voor de keukenkasten.
De keuken veranderde door de gebruiksvriendelijke toestellen tot een
aangename plek in het huis om te vertoeven. In de moderne keuken werd
veiligheid voor kinderen een belangrijk aandachtspunt in de verdere
ontwikkeling.
Vreemd genoeg is er op de tentoonstelling weinig aandacht voor keukens in de langspeelfilms. Ik denk hierbij vooral aan de appartementskeuken waarover het personage van Barbara Streistand beschikt in de film “The Way We Were”. Haar tegenspeler Robert Redford vraagt of het wel een keuken is, en of er voldoende plaats is om een koffie voor hem te zetten.
De keuken van de toekomst
Tenslotte zien we het vierde en laatste model van de futuristische keuken.
Hypertechnologie speelt een belangrijke rol, waarbij de etenswaren steeds
minder fysiek worden verwerkt. De keuken van de toekomst met intelligent,
comfortabel en praktisch zijn, afgestemd aan de levensstijl van haar
gebruiker(s). We eten niet langer op de traditionele tijdstippen, maar onze
manier van leven bepaald voor een stuk waarvoor we onze keuken willen
gebruiken. Ook zijn niet langer alle toestellen die behoren tot
standaarduitrusting van een keuken nodig, maar zijn ze modulair inzetbaar. De toestellen zijn dusdanig ingebouwd en verwerkt dat ze status hebben van een toonzaal waarmee we als bewoner willen uitpakken en imponeren.
De keuken is soms mooier afgewerkt dan de andere ruimtes in het huis. De
keuken is niet langer bestemd voor het bereiden, opwarmen of opeten van
maaltijden, maar we houden er familiegesprekken, kijken er televisie of
ontvangen er onze gasten.
De tentoonstelling eindigt met een portretten-galerij van een vijftigtal
persoonlijkheden, bekende of anonieme Belgen, gefotografeerd in hun eigen
keuken. De foto’s werden gemaakt door acht fotografen van La Cambre.
Een deel van de tentoonstelling is gewijd aan keukens voor kinderen in de
vorm van speelgoedverzameling rond keukens en keukengerief.


















