Persoonlijke reflectie op tentoonstelling over Mode in Antwerpen.
Op een zonnige dag verkoeling zoeken in de loketten van het Vlaams
Parlement kan wonderen doen, ook al is de tentoonstelling slechts een
opfrissing van wat de Antwerpse mode heeft voorgebracht. Over
modeontwerpers in de rest van het land rept men geen woord. De
tentoonstelling bestaat uit drie delen, vertelt de suppoost mij. Het eerste is
rond de ‘Zes van Antwerpen’ beter bekend als ontwerpers met internationale
faam: Ann Demeulemeester, Dries van Noten, Walter Van Beirendonck, Dirk
Van Saene, Marina Yee en Dirk Bikkembergs. Elk tonen ze één tot twee van
hun ontwerpen, soms gepaard met een flatscreen impressie van prét-à-pôrter runway of catwalkshow. Het tweede blok toont de generatie die moest
opboksen tegen de naambekendheid van de Zes. Martin Margiela, Patrick Van Ommeslaeghe, Veronique Branquinho, Bruno Pieters, Jurgi Persoons, Haider Ackermann, Lieve Van Gorp, A.F. Vandevorst, Raf Simons en Bernard Wilhelm.
De ene zal al bekender in de oren klinken als de andere. In de met
krantenknipsel-beplakte kooien is er ook plaats voor fotografie van Ronald
Stoops, Mondino en Testino. De geschiedenis van Linda Loppa, die in 1998
aangesteld werd als directeur van het ModeMuseum, mede-oprichtster van
Flanders Fashion Institute dat tot realisatie komt van Mode Natie komt
uitvoerig in de krantenknipsels aan bod. Uitvergrote knipsels die zich trouwens als een patroon repetitief herhalen. Een andere gebeurtenis is de start van de Gouden Spoel wedstrijden en de inbreng van de Vlaamse overheid.
In een afgesloten wat bevangen ruimte staan de laatste generatie van
Antwerpse sucessen. Met de opkomst van de textielnijverheid in het Oostblok en verdere expansie in het Oosten, is de modewereld erg onderhevig geworden aan verkoopbaarheid van collecties. Collecties die trouwens niet twee keer per jaar, maar ook tussenseizoenen kennen. Het is moeilijker om naar buiten te treden met eigen duurzame identiteit. De laatste 25-jaar is het studentenbestand van de modeafdeling van Antwerpse Academie selectiever en internationaler geworden. Volgens de Academie kunnen we nog moeilijk spreken over Belgisch, Vlaamse of Antwerpse mode, maar wel over Vlaamse waarden en werkwijzen. De internationale druk en vluchtige omgang met creativiteit en beelden, weegt op de Academie en de nieuwe ontwerpers (Peter Pilotto, Les Hommes, Christian Wijnants, Caroline Lerch, Stephan Schneider, Kris Van Assche, Johanna Trudzinski, Wim Neels, Frieda Degeyter, Kathleen Missotten, Tim Van Steenbergen, Anna Heylen, Demna Gvasalia, Erick Verdonck, Christoph Broïch en Kanya Miki) die geapprecieerd moeten worden omwille van hun persoonlijke stem die hen authentiek en uniek maakt. De vraag is hoeveel generaties de Academie nog kon blijven afleveren, ofdat ze tot inzicht komt dat er wat serieus fout zit met verhouding tussen afgestudeerde ontwerpers, copy-cats en beroemdheden als Madonna die H&M collecties uit hun mouw schudden. Durft de Academie de grenzen aftasten van de commerciële textielmarkt, of blijft ze elitaire goedgemaakte maar soms te excentrieke kleding produceren? Daar biedt de tentoonstelling geen antwoord op, ze broedt op het succes die weldra zichzelf zal moeten heruitvinden, willen ze aan de top blijven. Het is uitkijken geblazen als Azië niet enkel produceert, maar ook ontwerpers zou afleveren, en welke neerslag dat zou hebben op onze Westerse economie.

















